Het programma

 

“Op School” bestaat uit een screening die twee keer per jaar wordt uitgevoerd en een handelingsplan. Om tot de juiste keuzes in programma te komen, worden de verschillende onderdelen van de screening en het handelingsplan onderbouwd met inhoudelijke informatie van Harry Janssens. Deze hulpteksten zijn te vinden achter de vraagtekens die bij elk onderdeel staan. Verder staat de inhoudelijke informatie in drie achtergrondartikelen dievia het menu zijn op te vragen.In het programma staan op diverse plaatsen mogelijkheden om direct door te linken naar de achtergrondartikelen als er behoefte is aan meer theoretische informatie. 

 

A. De screening
Bij de screening beantwoordt de leerkracht drie onderdelen:

  1. de leerkracht vinkt in drie kolommen de gedragingen aan zoals hij die waarneemt bij de leerling. Het gaat daarbij om het gedrag van de leerling t.o.v. de leerkracht, t.o.v. de medeleerlingen en de werkhouding. Per onderdeel is een vak voor vrije tekst waar een toelichting kan worden gegeven;
  2. de leerkracht beantwoordt 5 kernvragen op basis waarvan hij gaat bepalen of hij een plan gaat maken of niet. Het blijft altijd zijn eigen beslissing, als hij zijn keuze maar motiveert;
  3. op basis van wat bij 2 staat definitief bepalen of er reden tot actie is of niet.

Is er geen reden tot actie dan is dit alles wat gedaan moet worden bij een leerling met wie niets aan de hand is. De leerkracht kan verder gaan met de andere leerlingen.

B. Het handelingsplan
Is er wel reden tot actie dan maakt het systeem een handelingsplan aan dat de leerkracht in gaat vullen. Dat bestaat uit de volgende onderdelen:

  1. het zelfbeeld van de leerling: keek de leerkracht bij de screening naar hoe hij de leerling ziet, bij dit onderdeel gaat het erom hoe de leerling zichzelf ziet op sociaal, cognitief en lichamelijk gebied;
  2. de indicaties: op welk gebied worden de meeste problemen ervaren. Achter de vraagtekens staan gedragkenmerken aan de hand waarvan de leerkracht kan bepalen of er wellicht sprake is van achterliggende problemen als leerproblemen, faalangst, concentratieproblemen enz.;
  3. het overheersend gevoel: hoe denkt de leerkracht dat de leerling zich voelt in de huidige situatie en uit hij dat of is hij in zichzelf gekeerd. Ook hier kenmerken wat betreft gedrag en werkhouding op basis waarvan de leerkracht kan bepalen welk gevoel er bij de leerling overheerst. Bij ieder overheersend gevoel hoort een basishandelingsplan waarbij een bepaald werkwoord centraal zal staan;
  4. de acties en tips: als er gekozen is voor een overheersend gevoel bij de leerling dan verschijnt hier automatisch het handelingsplan dat bij dat overheersende gevoel hoort. Let wel op dat dit een basishandelingsplan is. Het is vrije tekst dus de leerkracht kan het hele plan zo bewerken dat het wordt toegeschreven naar de individuele leerling. Daarom staan er overal in dit basisplan verzoeken om dat onderdeel van het plan te concretiseren;
  5. de evaluatie: hierbij wordt de evaluatievraag geformuleerd: wat wil de leerkracht met dit plan bereiken en er wordt een evaluatiedatum vastgesteld. De leerkracht krijgt een week van tevoren via de mailbox een seintje dat een bepaald plan geëvalueerd moet worden.

 

C. Opbrengsten: rapportages en analyse van de rapportages
Naast informatie over de individuele leerling biedt “Op School” allerlei mogelijkheden voor rapportages per leerling, per groep en over de hele school. De leerkracht, intern begeleider en directie kunnen zo inzicht krijgen hoe de klas en hoe de school als geheel functioneert. Zo kunnen zij de ontwikkeling van één leerling, één groep, maar ook van de hele school gemakkelijk in kaart brengen. Op basis daarvan kan ook worden gekozen om een bepaalde aanpak in het groepsplan op te nemen i.p.v. te kiezen voor individuele handelingsplannen.

Via de rapportages is het mogelijk de uitkomsten van "Op School" te vertalen in opbrengsten wat betreft sociaal-emotionele ontwikkeling. Bij leerlingen kleuren de negatieve gedragingen rood. Tot drie jaar naast elkaar kan de leerling worden gevolgd wat betreft zijn positieve en negatieve gedragingen en de ontwikkeling daarvan.

Bij de groep en de school kleurt een negatieve gedraging rood wanneer de 25% grens is bereikt. De keus kan dan worden gemaakt aandacht aan het probleem te besteden in het groepsplan i.p.v.via individuele handelingsplannen.

Met de functie “analyse van de rapportages” kunnen de gegevens van de rapportages nog meer worden verfijnd en worden de rapportages bruikbaarder voor de alledaagse praktijk. Met die functie kan snel van bepaalde omschrijvingen worden achterhaald om welke leerlingen in de groep of school het gaat. Op deze manier kan de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerlingen op school nog specifieker in kaart worden gebracht en kan per probleem worden bekeken welke leerlingen het betreft. Ook heel handig als voorbereiding van overleggen over bepaalde groepen of over bepaalde problemen schoolbreed.

 

D. De thuisversie

De Thuisversie: links in het menu staat een optie Thuisversie. Als de school of de ouders het nodig achten een vergelijking te maken tussen het sociaal emotioneel functioneren thuis en op school, dan kan dit formulier gebruikt worden. Het kan worden geprint en aan de ouders worden gegeven. Dit kan dienen als basis voor een oudergesprek. “Thuis” heeft dezelfde opbouw als de screening en daarom kunnen de uitkomsten van “Op School” en “Thuis” goed met elkaar vergeleken worden. Dit is een los formulier, het is niet geïntegreerd in “Op School”.

 

E. Archivering en printen

Per schooljaar worden de gegevens gearchiveerd en die gegevens blijven beschikbaar zodat ook vergelijkingen met andere jaren gemaakt kunnen worden. Via een printoptie kunnen alle onderdelen worden geprint en kan ook een dossier worden samengesteld vanuit de gegevens die beschikbaar zijn.